Vincent Bökkerink is al 14 jaar actief in de palliatieve zorg, onder andere als vrijwilliger bij hospice Bethlehem en als voormalig coördinator bij de VPTZ. Binnenkort start hij als eerste thuisbegeleider van mantelzorgers in de palliatieve fase. ‘Ik vind het bijzonder om in deze fase bij mensen in te mogen stappen. Afscheid nemen van het leven kan ook heel mooi zijn. Het klinkt misschien gek, maar ik beleef enorm veel plezier aan dit werk.’ Zijn deskundige kijk op mantelzorg in de palliatieve fase is mede gevormd door de langdurige zorg voor zijn dementerende moeder, die twee jaar geleden overleed. ‘Niemand kon aan mij tippen in de zorg voor mijn moeder.’

‘Tien jaar lang draaide mijn leven grotendeels om de zorg voor mijn moeder. Tot haar 80e is ze redelijk zelfstandig geweest, daarna kwamen de eerste symptomen van dementie. Ze wilde graag in haar flat blijven wonen en die wens hebben we kunnen vervullen. In het begin ging ik twee keer in de week langs, later elke dag, nog later drie keer per dag en de laatste periode was ik 24 uur per dag met mijn moeder bezig. Ik heb veel zorg afgehouden, wilde het liefst alles zelf doen. Dat heeft mede geleid tot een burn-out, een half jaar nadat ze was overleden. Ik heb geen minuut spijt van wat ik gedaan heb, maar het had wel anders gekund.

Aandacht
Ik ben de jongste van zes kinderen, opgegroeid in Nijmegen-Oost. Mijn vader is op zijn 65e overleden en ook twee broers van mij zijn op jonge leeftijd overleden. Met mijn moeder had ik een hele bijzondere band. Ik vond haar ontzettend lief en ze werd ook alleen maar liever. Ik wilde graag dat ze zich prettig voelde en dat de zorg werd afgestemd op wie zij was. Daardoor deden anderen het niet snel goed in mijn ogen. Als de Thuiszorg haar bijvoorbeeld snel een trui en een broek had aangetrokken, terwijl mijn moeder zo op haar uiterlijk gesteld was en het liefst een rok met een panty droeg, dan accepteerde ik dat niet. Ik vond dat er een gebrek was aan aandacht en ik voelde me schuldig als ze die niet kreeg. Daarmee heb ik het anderen, en mezelf, lastig gemaakt.

Achteraf gezien was ik bang dat mijn ruimte met haar werd afgenomen als ik meer zorg zou toelaten. Dat ze haar vroeg in bed zouden leggen, terwijl ik graag laat op de avond nog even langs kwam. Dat ik de regie kwijtraakte. Maar ondertussen werd mijn wereld steeds kleiner en sloot ik me langzaam op met de zorg voor haar. Ik had in een vroeger stadium hulp moeten inschakelen. Toen was ik daar nog ontvankelijk voor, later niet meer.

Vertrouwen
Waar ik het meest behoefte aan had gehad, was iemand die met me meedacht. Iemand met wie ik een vertrouwensband had en die samen met mij zocht naar mogelijkheden. Ik werkte dan wel in een hospice, maar ik wist echt lang niet alles over het land van de zorg. Bovendien stond ik te dichtbij om nog overzicht te kunnen hebben. Dan was er bijvoorbeeld sprake van dagbesteding, maar wilde mijn moeder niet. Voor mij hield ’t daar dan op; geen dagbesteding. Maar als er iemand was geweest die meer afstand had gehad, waren er misschien alternatieven geweest. Het leven had aangenamer kunnen zijn als ik meer handvatten had gehad. Afgelopen jaar vierden we voor het eerst weer eens echt vakantie en merkte ik hoe ik dat had gemist.

Mijn moeder is uiteindelijk niet in mijn bijzijn gestorven. Dat vond ik niet erg. Afscheid nemen van een dementerend iemand gaat geleidelijk en ik was er tien jaar lang bij geweest. De huisarts adviseerde me om haar te laten merken dat ze mocht gaan, dat heb ik haar de laatste dagen veel gezegd. Toen ik even weg was, heeft ze los kunnen laten. Het was goed zo.

Luisteren
Bij TOLL hoop ik de rol van vertrouwenspersoon voor mantelzorgers te kunnen vervullen. Daarbij weet ik uit ervaring hoe belangrijk het is om dat afgestemd te doen, met respect voor de hele situatie. En die is natuurlijk elke keer anders. Dat maakt het begeleiden ook leuk en bijzonder.
Werken in de palliatieve zorg past bij mij. De dood is voor mij onderdeel van het leven en het proces kan heel mooi zijn. Als de franje wegvalt, komt het innerlijke meer naar boven. Dat is naakt, letterlijk en figuurlijk. Ik merk dat ik daar goed bij kan zijn. Ik ben capabel om mezelf los te laten en open te staan voor de ander, zonder al het verdriet op mijn schouders te nemen. Want als ik dat ga doen, kan ik niet meer zorgen. Ik ben echt geen harde jongen hoor, ik kan prima meehuilen. Maar ik kan ook regelen, organiseren, luisteren. Vooral luisteren. Bovendien: het is dankbaar werk. Er gewoon zijn betekent vaak al heel veel.’